Ik lag nog steeds half op je. En toen, eindelijk, kusten we. Je verraste me met je overweldigende sappigheid. Met je volle lippen, je natte tong. De hevigheid van je kussen. Je kuste alsof je leven er van af hing. Op geen enkele manier leek dit op onze eerste kus. Hoe onze lippen elkaar herkenden. Onze tongen elkaar vonden, proefden. Ik was thuis. Dit zou de beste kus ooit worden. De meest heftige. Ik voelde me zo verliefd. Zo perfect. Tot je abrupt stopte, me wegduwde en me schreeuwend wees op de man, de jonge jongen op het balkon. Een insluiper welke ons heilige aan het insluipen was. Voor ik het wist had ik de zware jampot, of was het een baksteen, van de tafel gepakt en stond ik in de aanslag deze met al mijn kracht tegen zijn slaap te gooien. Voor ik het opnieuw wist zat ik rechtop in mijn bed, klaarwakker. Ik voelde nog net het effect van de laatste vrijgekomen salvo adrenaline op mijn lichaam. Opengesperde ogen, wakkere geest, veel sneller en harder kloppend hart. Ik dacht aan het idee wat ik heb tijdens dromen, tijdens situaties als deze, het idee over mijn stem en mijn ademhaling. In mijn dromen, in situaties als deze stoppen ze namelijk, iets wat ik me in het echt niet kan voorstellen. Ik dacht nog meer waarom ik juist over jou droomde. Maar het meeste dacht ik nog, waarom je tijdens de meest perfecte kus, het meest perfecte moment, niet je ogen gesloten had gehouden, maar had gekeken en de insluiper had gezien. Ik keek op de klok, 1 uur 46, en om nooit te vergeten begon ik met schrijven: ‘Ik lag nog steeds half op je..’
geschreven op 10 mei 2012








